­

We hebben iets...
voor jou en voor jou
en voor jou

agenda 5a

Lezingen: Jezus Sirach 35,12-14.16-18 en Lucas 18,9-14

Beste zusters en broeders,
Als je me dan toch uit wilt schelden, laat dan dat scheldwoord ‘farizeeër’ achterwege. Dat is wel een hele erge… Ik denk trouwens niet dat er anno 2019 veel jonge mensen zijn die het venijn van dit woord aanvoelen, een paar decennia geleden was dat wel anders, en u en ik weten dit nog. ‘Farizeeër’: iemand die naar buiten toe zich heel mooi voordoet, maar ondertussen zit ie vol met streken.

‘Farizeeërs’ – er waren er nogal wat van in de tijd van Jezus. Het was een grote lekenbeweging in het Jodendom van Jezus’ tijd. En onze kijk op deze groep mensen wordt nogal bepaald door Jezus’ kritiek op hen. We kijken naar de farizeeën door de kritische bril van Jezus, en dat mag natuurlijk, máár dat verhindert ons  hen te zien zoals ze gezien werden door hun tijdgenoten. De farizeeën : ze werden zéér, zéér gewaardeerd door hun tijdgenoten. In de moeilijke tijd van de Romeinse bezetting waren zij het die de moraal hoog hielden. Bij hen geen compromissen, bij hen geen geheul met de gehate bezetter, bij hen alleen maar een onverkort vasthouden aan en naleven van de Tora, de Wet die Mozes op de berg Sinaï van God had ontvangen. Farizeeën, dát waren nog eens Joden! En laten we nou eens kijken naar de farizeeër van het evangelieverhaal. Hij zegt van zichzelf dat ie twee keer per week vast. Nou, dat zal dan wel, denk ik dan, als ie dat graag doet, moet ie dat vooral doen. Máár dan komt het: ik geef tienden van al mijn inkomsten. Ik neem aan dat deze farizeeër niet liegt, dán zou hij dus tien procent weggeven van alles wat er bij hem binnenkomt. Ik kan u wel vertellen: dat doe ik niet, en ik vermoed dat er wel in deze kerk zijn die me dat na kunnen zeggen. Tien procent weggeven aan goede doelen van alles wat er bij jou binnenkomt, is echt heel veel. Je kunt zeggen van die farizeeër wat je wil, maar hij neemt de Tora, de Wet van Mozes serieus, en dat valt in hem zeer te prijzen.

Dan gaan we nu naar de tollenaar.  We hoeven geen Bijbeldeskundige te zijn om wel aan te voelen dat hij er een puinhoop van heeft gemaakt in zijn leven. Misschien hoort hij wel tot het slag mensen, waarvan ieder er in zijn of haar leven wel een paar kent: ze lappen alle regels aan hun laars, maar toch wel geschikte en leuke lui. Zelf denk ik dat de tollenaar niet hoort bij het soort mensen dat naast de loper loopt en toch wel sympathiek is. Tollenaars: mensen die het niet problematisch vonden te heulen met de gehate Romeinse bezetter om van diezelfde bezetter ook nog een baantje te krijgen waar je portemonnee vanzelf een stuk dikker van werd. Tollenaars: belastinginners. Namens de Romeinse overheid gingen ze huis voor huis af om de belastingen te innen. Om hen heen hing een zweem van intimidatie en corruptie. Als belastinginner kon je mooi misbruik maken van je positie: te veel vragen en te veel krijgen was aan de orde van de dag. En als belastingplichtige in een bezet land kon je daar niets tegen doen. Denk je maar eens in hoe je dan tegen zo’n tollenaar aan kijkt. Bij velen waren ze gehaat…

En die twee mensen, die farizeeër en die tollenaar, komen dan in de tempel van Jeruzalem om te bidden. Die gewaardeerde farizeeër en die gehate tollenaar. En die farizeeër die blijkt ervan uit te gaan dat die waardering die hij van de mensen geniet hem ook wel van Godswege zal toekomen. Als je zó serieus met de Tora, met het geloof en met God omgaat, zal God toch wel rekening met je houden! En de gehate tollenaar komt daar in de tempel tot het besef dat hij er een puinhoop van heeft gemaakt in zijn leven. Hij zal wel denken: ‘’t Is terecht dat de mensen met een boog om me heen lopen’. En dan bedenkt hij wat nu eigenlijk zijn relatie met God is. ‘Eigenlijk sta ik hier met lege handen, ik heb God alleen maar de puinhoop van mijn leven aan te bieden, en daarmee zal Hij niet erg blij zijn. En eigenlijk kan ik alleen maar bidden: ‘God, wees mij, zondaar, genadig’.
    Jezus wil ons hier uitleggen wat onze verhouding met God eigenlijk is. We kunnen ons heel wat van ons leven voorstellen, maar dat kunnen we niet inbrengen in onze verhouding met Hem. Als het om onze relatie tot Hem gaat, staan we altijd met lege handen en moeten we beseffen dat we het alleen maar van Zijn liefde moeten hebben. Die liefde die we van Hem krijgen, geeft ons wél vleugels om zonder zuur gezicht het liefdegebod van Jezus gestalte te geven in ons leven. Maar als we in gebed voor God staan, thuis of in de kerk of waar dan ook,  dan brengen we niets in dan alleen maar ons eigen leven, en daarop hoeven we ons tegenover God niet te beroemen. God houdt van ieder van ons, en dat moet ons genoeg zijn.

AMEN.

­