­

We hebben iets...
voor jou en voor jou
en voor jou

agenda 5a

Lezingen: Jes.25,6a.7-9 Openbaring 21,1-5a.6b-7 en Luc.23,44-46.50.52-53; 24,1-6a.

Beste zusters en broeders,
Ik herinner het me nog heel goed – en ik heb het u wel eens verteld – op een van de katholieke scholen in Assen hielden we een Allerzielenviering. En we hadden bedacht dat ieder kind een fles zou krijgen, daarin mochten ze een briefje doen waarop ze iets geschreven hadden voor een overleden oma of opa, tante, oom, buurvrouw, wie dan ook. Die flessen zouden we dan voor aanvang van de viering aanhangen in een heel groot visnet die we gespannen hadden aan het plafond van de school. Een prachtig idee, een soort flessenpost richting de hemel, maar aan één ding hadden we niet gedacht. Een meisje kwam in tranen naar ons toe en ze vertelde: Ja, maar ik heb nog niemand die is overleden…! Zij kon niet aan de flessenpost meedoen, want bij haar leefde iedereen nog…. En we waren allemaal jaloers op dat kind in tranen…

Het vaste gegeven van de dood. Als je geluk hebt, leef je als kind nog een tijdje in het paradijs van de wereld waarin mensen niet doodgaan, maar gauw genoeg komt het moment dat je uit dat paradijs wordt gezet, en …je komt er nooit meer in. De dood, daarmee hebben we te dealen.

De dood…heel veel mensen zeggen: dood is dood. Met de dood wordt er een definitieve punt achter je leven gezet. Ben je gestorven, dan is er daarna niets meer. Het enige wat je wacht, is het grote niets. Maar voor ons, christenen, is dat anders. We staan er anders in en hebben een andere visie op de punt die de dood zet in onze realiteit. Het is overigens niet meer zo dat we, zoals vroeger, heel uitgesproken beelden hebben van hemel en hiernamaals. Vroeger werd het je precies uitgetekend hoe het na je dood zou zijn. Maar die precieze uittekening van de hemel hebben we leren relativeren.

We zijn christengelovigen. Dat betekent niet dat we zeker weten dat er een God is, het is meer een intuïtie, een vermoeden. Niemand kan het bestaan van God bewijzen, maar heel velen zijn er in deze wereld die een vermoeden van Hem hebben. Het bestaan roept in hen en in ons het vermoeden op dat er meer is, ja, dat er een God is die ons omgeeft met Zijn liefde. En christenen geloven dat die God Jezus naar deze aarde heeft gestuurd om ons de reddende hand toe te steken.

En áls er dan een God is, dan is dat de God van leven en dood, dan is die God niet een God die onderworpen is aan leven en dood, nee, dan is dat de God die erover gáát. Hij heeft het laten zien in het leven van Jezus. Die reddende hand die God in Jezus ons reikt, trekt mensen weer de samenleving in: blinden zien weer, lammen lopen weer, doven horen weer. Mensen kunnen dank zij Hem weer meedoen aan het leven. Hij heeft het niet alleen laten zien in dat leven van Jezus, maar ook áán dat leven van Jezus. Door de dood heen geeft God Jezus nieuw en eeuwig leven. Daar laat God definitief zien dat de dood het voorlaatste woord heeft en dat Hem het laatste woord toekomt, en dat dat woord ‘leven’ is.

Als christenen hopen en geloven wij dat ook onze dierbaren en ook wijzelf eens mogen delen in de werkelijkheid van dat laatste woord van God. We hopen dat onze dierbaren, die deel uitmaakten van ons leven en dat nog steeds doen nu bij God zijn. ‘Bij God zijn’, verder dan die drie woorden kom ik niet als ik uit moet drukken wat ik hoop voor onze overledenen. Ik hoop dat ze bij God zijn. Met Christus in God geborgen. Bij wie kun je beter zijn… Gelukkig in het eeuwig licht.

AMEN.

­